Spring naar de inhoud

Onderwijsvrijheid onder druk

Elke dag wanneer ik door school loop, zie ik waarom ik ooit voor het Steineronderwijs koos. Ik zie
kinderen die boetseren, toneel repeteren, ritme leren in muziek en rekenen, zich verwonderen
over taal, vormtekenen of houtbewerken. Ik zie leraren die met vakmanschap, warmte en
creativiteit een leeromgeving scheppen waarin hoofd, hart en handen in evenwicht mogen
groeien. Dat is geen hedendaagse luxe of ouderwetse romantiek, dat is ons pedagogisch project.
En dat project staat vandaag zwaar onder druk.


De nieuwe minimumdoelen grijpen diep in in onze
autonomie


De invoering van de nieuwe minimumdoelen voor lager en kleuteronderwijs dwingt ons tot een
manier van werken die haaks staat op onze ontwikkelingspedagogiek. Met alle basisscholen uit
het Steineronderwijs (samen zo’n 4000 leerlingen) hebben we daarom recent beroep ingediend
bij het Grondwettelijk Hof, omdat de nieuwe doelen en vooral de vastgelegde ijkmomenten in de
derde kleuterklas en het vierde leerjaar onze opbouw en ritmiek doorbreken. Ons schoolbestuur
en onze oudervereniging ondertekenden mee.
Het gaat niet om onwil om kennis te onderwijzen. Integendeel: wij erkennen net als iedereen dat
kennis belangrijk is. Maar wij bouwen ze vanuit de leefwereld en ontwikkelingsfase van het kind
op, niet vanuit een uniforme kalender die van bovenaf wordt opgelegd. De overheid verwacht nu
dat scholen hun pedagogische lijn aanpassen aan één strakke leerlijn, geënt op een kennisrijk
curriculum.
Als directeur voel ik hoe dit in ons pedagogisch college grote zorgen veroorzaakt. Het gaat om
veel meer dan extra werkdruk of bijkomende administratie; het raakt aan de kern van hun job en
professionaliteit.


Een kennisrijk curriculum is waardevol, maar niet dé
enige weg


Het beleidsdiscours rond het “kennisrijk curriculum” klinkt op het eerste gezicht logisch: betere
resultaten vergen een duidelijker en meer gestructureerd curriculum. Dat is ook waar de
pleitbezorgers van dit model sterk op inzetten. Ze benadrukken dat systematische kennisopbouw
noodzakelijk is voor verdere denkvaardigheden.
Maar dat debat mag niet verhullen dat het onderwijsveld meer is dan één pedagogisch
paradigma. Ook de experten erkennen dat curricula voortdurend evolueren en dat geen enkel
model universeel toepasbaar is en werkt voor alle kinderen.
Toch voelt het in Vlaanderen alsof deze nuance verdwijnt: dat “kennisrijk curriculum” wordt steeds
vaker voorgesteld als niet alleen wenselijk, maar ook de norm. Het initiatief om scholen te
selecteren als “inspiratiescholen” die een kennisrijk curriculum moeten uitrollen, versterkt die
beweging.
Voor Steineronderwijs is dat problematisch. Want ons curriculum is geen reeks didactische
technieken, maar een samenhangend geheel, gebaseerd op een mens- en maatschappijbeeld
waarin ontwikkelingstempo, kunstzinnigheid, ervaring, verbeelding en sociale vorming essentieel
zijn. Wij zijn niet tegen kennis, wij zien kennis in samenhang met de leefwereld van een jong kind,
want die begrijpt de wereld kwalitatief anders.


De essentie van onderwijsvrijheid: verschillende
visies moeten kunnen bestaan


Een democratische samenleving vereist dat verschillende pedagogische visies zich ten volle
kunnen ontplooien. Onderwijsvrijheid houdt in dat scholen niet enkel mogen bestaan, maar ook
zélf mogen bepalen hoe zij hun pedagogisch project vormgeven mét overheidssubsidies, omdat
pluralisme een maatschappelijke meerwaarde is.
Als directeur voel ik vandaag dat die vrijheid verkleint. Niet omdat de overheid ambities heeft,
daar ben ik alleen maar voor, maar omdat ze nu ook de weg ernaartoe wil vastleggen. De actieve
onderwijsvrijheid, het recht op een eigen pedagogische invulling, dreigt uitgehold te raken.
Uniformiteit is geen garantie voor kwaliteit
Ik begrijp de bezorgdheid over dalende leerprestaties. Maar uniforme curricula zijn geen
wondermiddel. Ze kunnen zelfs contraproductief zijn wanneer ze de creativiteit en het
enthousiasme van leraren verkleinen. Leraren die enkel uitvoerders worden van centraal
vastgelegde doelen verliezen precies die bezieling, authenticiteit en verantwoordelijkheid die
echte kwaliteit voortbrengen.
Het is een paradox: hoe meer de overheid wil sturen, hoe minder ruimte er blijft voor het
vakmanschap van leraren en net dat vakmanschap maakt onderwijs rijk, betekenisvol en
motiverend voor kinderen.


Wat er op het spel staat


Voor mij als directeur gaat de discussie niet over hoe moeilijk een doel is of hoe vroeg een kind
moet tellen. Het gaat over de vraag wie mag bepalen wat waardevol onderwijs is. Het gaat over
de vrijheid om kinderen te laten groeien vanuit hun eigen ritme, met ruimte voor creativiteit,
kunstzinnigheid, beweging, sociale ervaring en verwondering, niet omdat het “leuk” is, maar
omdat we het essentieel vinden voor hun ontwikkeling als mens.
Onderwijsvrijheid is geen vrijblijvende luxe. Het is de garantie dat ouders kunnen kiezen, dat
kinderen kunnen verschillen, dat scholen hun eigenheid kunnen bewaren en dat ons
onderwijslandschap rijk blijft in plaats van vlak.
Vandaag staat die vrijheid onder druk. En daarom komen we er nu voor op, met overtuiging, maar
ook met openheid en dialoog.